Jenaplanonderwijs hoort bij het traditionele vernieuwingsonderwijs. Een jenaplanschool is een gemeenschap van kinderen, leraren en ouders. De leraren zijn professionele opvoeders. Ouders dragen een deel van de opvoeding van hun kinderen over aan de leraren, maar blijvenn een belangrijke rol in het onderwijs spelen. Het moet daarom een bewuste keuze zijn om een kind naar een jenaplanschool te laten gaan.

In het jenaplanonderwijs staat het kind centraal. Ieder kind is uniek in zijn ontwikkeling, talenten en leerstijl. In het jenaplanonderwijs krijgen kinderen de ruimte zich zo breed mogelijk te ontwikkelen. Zij mogen verschillend zijn, het doel is dat de kinderen van de verschillen en van elkaar leren en dat ze verschillen leren respecteren. Het jenaplanonderwijs is gericht op de opvoeding van kinderen en omvat daarom veel meer dan het aanleren van de standaard schoolse kennis en vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Kinderen leren in een jenaplanschool veel door deel te nemen aan de zogenaamde basisactiviteiten, spreken/communiceren, spelen, werken en vieren. De leerstof van een jenaplanschool komt uit de leefwereld van de kinderen en uit het cultuurgoed van de maatschappij.

Bijna alle Jenaplanscholen werken met zogenaamde stamgroepen. In een stamgroep zitten kinderen uit twee of drie verschillende leerjaren. Voor deze samenstelling is bewust gekozen. Er zijn hierdoor grotere verschillen in de groep, waarvan de kinderen leren. Kinderen kunnen zelf kiezen of zij graag met oudere of jongere kinderen omgaan, en de oudere kinderen kunnen de jongere kinderen helpen, waardoor de kans dat kinderen op een bepaald vlak zich langzamer ontwikkelen wordt verkleind. Een gevolg van de stamgroepen is dat de positie van kinderen na elk jaar verandert: Een jongste wordt middelste, een middelste wordt oudste, enzovoorts. De kinderen doen daardoor belangrijke sociale ervaringen op.

Bron

Jenaplanonderwijs hanteert vijf basisprincipes:
1. Elk mens is uniek.
2. Elk mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen.
3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig; met andere mensen, met de zintuiglijke waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur, met de niet-zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.
4. Elk mens wordt als volledig persoon erkend en ook zo benaderd.
5. Elk mens wordt als een cultuurdrager en-vernieuwer erkend en ook zo benaderd.

De dagen zijn zo veel mogelijk ritmisch ingedeeld. De jenaplan-basisactiviteiten kring, werk, viering en spel komen gedurende een dag regelmatig terug.

Bron